|
door Petra van der Heijden
De Leidse sterrenkundige Frederik Kaiser (Frederick, Friedrich) heeft een cruciale rol gespeeld in de opbloei van de Nederlandse sterrenkunde halverwege de 19e eeuw. Kaiser was autodidact, en een begaafd waarnemer. Hij had het astronomische vak al op jonge leeftijd geleerd van zijn oom Johan Frederik Keyser (1766-1823), wiskundeleraar en een vaardig amateur-astronoom. Toen Kaiser op 18-jarige leeftijd als observator werd aangesteld aan de Leidse Sterrewacht, had hij zich door middel van een aantal publikaties in de Konst- en Letterbode al enige faam verworven. Zijn doorbraak kwam echter in 1835, toen hij de periheliumdoorgang van de komeet van Halley tot op 1.5 uur nauwkeurig voorspelde; beter dan iedere andere astronoom in Europa. De omstandigheden op de Sterrewacht (toen nog een houten keet op het dak van het Academiegebouw) waren in die tijd erbarmelijk. De instrumenten waren volledig verouderd, en wat nog erger was: de directeur Uylenbroek, waarschijnlijk jaloers omdat de benoeming van de jonge observator buiten hem om had plaatsgevonden, keek bij iedere waarneming mee over Kaiser's schouder. De waarnemingen aan de komeet van Halley deed Kaiser dan ook vanaf de zolder en vliering van zijn huis, waar hij een kijker had opgesteld die hij van een vooraanstaand amateur-astronoom had kunnen lenen. Om te kunnen waarnemen moest hij wel enkele van de dakpannen verwijderen. Kaiser heeft later nooit graag over deze "nutteloze" elfjarige periode in zijn leven gesproken. Gelukkig hadden zijn buitengewoon nauwkeurige waarnemingen hun vruchten afgeworpen: in 1835 verkreeg Kaiser een eredoctoraat van de universiteit, en in 1837 werd hij benoemd tot lector in de praktische sterrenkunde en directeur van de Sterrewacht. Dit gaf hem de gelegenheid om enkele nieuwe ideeën wat betreft organisatie, instrumenten en werkwijze aldaar door te voeren. Zo heeft hij er voor gezorgd dat de instrumentatie op de Sterrewacht werd aangepast aan de eisen van de tijd. Door de aanschaf van enkele nieuwe kijkers en precisieinstrumenten, maar vooral door Kaisers uitzonderlijke vaardigheden in het gebruiken ervan, konden de Leidse waarnemingen al gauw concurreren met de beste ter wereld. Ook introduceerde Kaiser de in het begin van de 19e eeuw door Gauss ontwikkelde statistische methoden in het onderwijs en de astronomische praktijk op de Sterrewacht. De zojuist door hem aangeschafte micrometer speelde hierin een grote rol. Deze in de Leidse sterrenkunde ontwikkelde, nauwgezette werkwijze heeft als voorbeeld gediend voor experimentatoren als Heike Kamerlingh Onnes ("door meten tot weten") en Kaisers leerling Jan Bosscha. Kaiser was ook een groot popularisator van de sterrenkunde. Zijn populair-wetenschappelijke werken, waarvan De Sterrenhemel (1843-1845, twee delen) wellicht het bekendst is, zijn in grote oplagen gedrukt. Door het hele land hield Kaiser lezingen voor allerlei genootschappen, en verwierf zich hiermee een nog grotere faam. Deze heeft hij uiteindelijk kunnen aanwenden voor de ondertussen broodnodige bouw van een nieuwe sterrewacht. Al vanaf zijn benoeming tot directeur had Kaiser plannen voor een geheel nieuwe sterrewacht, te bouwen buiten de stad, en voorzien van de modernste instrumenten. Jarenlang bestookte hij de universiteit en de regering met verzoeken tot subsidie. Deze waren echter niet zo gewillig. Een der curatoren van de universiteit, Jonkheer Gevers van Endegeest, besloot het over een geheel andere boeg te gooien en deed een oproep onder het Nederlandse volk om geld in te zamelen voor een nieuwe sterrewacht te Leiden. Al gauw kreeg hij bijval van onder andere het Leidsch Studenten Corps en voorname bestuurders in het hele land. Toen uiteindelijk op deze wijze de - voor die tijd enorme - som van bijna 30.000 gulden bijeen was gebracht, kon de regering fatsoenlijkerwijs niet meer achterblijven. In 1861 werd het nieuwe gebouw aan de Witte Singel voltooid. Dit eindelijk volwaardige instituut, dat voortaan haar eigen Annalen kon laten publiceren, vergrootte de internationale bekendheid van de Leidse sterrenkunde aanzienlijk. Daarnaast was Kaiser actief als Verificateur (controleur / ijkmeester) van 's Rijkszeeinstrumenten, in de Europeesche Graadmetingscommissie, en hield hij toezicht op de astronomische plaatsbepaling in Nederlands-Indië. Ook hier is Kaisers invloed aanwezig in de vorm van een optimaal gebruik van de mogelijkheden van de instrumenten. Frederik Kaiser heeft - mede door middel van zijn colleges - de generatie natuurwetenschappers na hem bijzonder geïnspireerd. Wellicht is deze Leidse astronoom niet alleen van betekenis geweest voor de modernisering van de Nederlandse sterrenkunde, maar ook voor de ontwikkeling van de Nederlandse natuurwetenschap in het algemeen. |
Bronnen:ELLY DEKKERFrederik Kaiser en zijn pogingen tot hervorming van `Het sterrekundig deel van onze zeevaart' in: Gewina 13 (1990) ELLY DEKKER Een procesverbaal van verhoor in: Gewina 15 (1992) P. VAN GEER Frederik Kaiser: een woord van herinnering uitgesproken bij de heropening der academische lessen Leiden: A.W. Sijthoff, 1872 N.D. HAASBROEK Prof. F. Kaiser en S. H. de Lange in hun relatie tot de astronomische plaatsbepalingen van omstreeks 1850 in het voormalige Ned. Indië Delft: Rijkscommissie voor Geodesie, 1977 GIJSBERT VAN HERK, HERMAN KLEIBRINK EN WILLEM BIJLEVELD De Leidse Sterrewacht, Vier eeuwen wacht bij dag en bij nacht Zwolle: Uitgeverij Waanders/De Kler, 1983 J.A.C. OUDEMANS Levensschets van Frederik Kaiser in: Jaarboek der Koninklijke Akademie van Wetenschappen (1875) |
Petra van der Heijdenvdheijden@yahoo.com Last modified in 2003 |